woensdag 4 oktober 2017

HERINNERINGEN AAN CLAIRE BONEBAKKER, HET DIJKHUIS EN BOERDERIJ DE LOODKOP: BETSY WISSE-BRASSER



Interview Betsy ‘Zus’ Wisse-Brasser (1937), de dochter van Ko Brasser, die boerde op 'De Loodkop'

Kijk, mijn moeder nam me soms mee om te gaan zwemmen op het strandje bij het Dijkhuis, dan staken we zo door het land, de plank over en langs de dijk naar beneden. Op een dag zaten we daar weer en toen stond opeens meneer Lensvelt in het poortje naast het huis bovenaan de trap naar het strandje. Trouwens een prachtige, eeuwenoude stenen trap. “Weet u wel dat dit een prive strandje is”, zei hij en wij gingen maar weg. Mijn moeder was kwaad. “Wat denkt hij wel, alle stranden zijn toch openbaar?”, zei ze verbolgen.  Mijn vader bromde maar wat en kon er wel om lachen, die kon het goed met Lensvelt vinden. Maar pas nu kom ik erachter dat hij gelijk had! Het was van hem! Dat heeft mijn moeder nooit geweten.  Wij gingen in het vervolg op een andere hoek van de dijk naar beneden om te zwemmen. Daar was dan wel niet zo’n mooi strandje maar zwemmen kon je er even goed.

Als mama en papa op zondagochtend dan gingen zwemmen, ome Lein ook, ja zo oud waren ze nog niet, zo tegen de dertig misschien, ja, op een prachtige zomerdag gingen ze niet in de kerk zitten! Opoe had dat wel gewild natuurlijk. Goed, dan gingen ze zwemmen dus en dan kwam net de kerk uit. En dan kwamen er wel gereformeerde buren langsrijden op weg naar huis. Nou, die deden maar of ze ons niet zagen want dat zwemmen, dat was een schande hoor!

Martien Volmer werkte lang voor mevrouw Bonebakker. Ze heeft nog een schilderij gemaakt van dat boerderijtje waar Martien en Jan Volmer woonden voor een verjaardag of zoiets. Dat was een schuur en een huis aan elkaar. Het hangt nu waarschijnlijk bij hun schoondochter bij Sandenburg. Mevrouw Bonebakker en Martien, dat waren bijna vriendinnen. Claire was in Indië geboren, ze heeft ook nog een zus en haar vader was bankier. Er was een ouderwetse boomgaard bij het Dijkhuis en die prachtige tuin. Dan zag je mevrouw Bonebakker daar in haar bikini zitten want het was een moderne meid en een schoonheid. Ze was een innemende persoonlijkheid, ik was ook dol op haar. Dan zag ik haar zitten en ik vond haar zo mooi. Met die lippenstift, dat vond ik zo bijzonder. Je keek je ogen uit. Platteland, hè, je kwam toch niet ver in die oorlogstijd?  Ik ben ook wel eens met mama bij haar op het Dijkhuis geweest. Ik wist niet wat ik zag: zo mooi meubilair. Ik zag er voor het eerst een stoel, zo met chroom, zoals ik alleen kende van foto’s uit Hollywood, van filmsterren, die hadden ook zulke stoelen. Claire was heel enthousiast en zei: “kijk eens wat een uitzicht!” En wij kijken over dat zeegat met die woelige zee! Ze kwam ook regelmatig bij ons op Loodkop. Mama maakte zelf boter natuurlijk en daar kwam ze dan wel om.

Ik weet dat Claire in de oorlog naar Zwitserland is gevlucht. Dat heeft ze zelf verteld na de oorlog toen we nog in de Kapellestraat woonden. Ze was ineens terug en stapte binnen en zei: “ik ben terug”. Ah, dat was een hereniging natuurlijk! Ze zei: “ik heb de Korenbloem gekocht.” Dat was een mooi huis op de Kaai. Martien Volmer was het al aan het schoonmaken, de schilder was al bezig maar zelf mengde ze de verf. Mama gaf haar een pakje roomboter, een delicatesse natuurlijk. Die avond bij haar thuis in de Korenbloem vertelde ze verder over Zwitserland. Ja, hoe ze er gekomen is weet ik niet maar ze was van een bankiersfamilie, misschien hadden die connecties. “Je moet maar niet vragen hoe maar ik ben er gekomen”, zei ze . “Ik had niks maar ik had wel gezorgd dat ik mijn penselen en mijn schildersgerei bij me had. Ik kwam in een dorp en ik keek naar die hoogwaardigheidsbekleders daar en hoe ze woonden. Ik ging daar direct zo’n landhuis uitschilderen.” Dat verkocht ze en ze zei: “en toen had ik ineens geld, hè. Dat is mijn behoud geweest.” Ja, ze was echt slim.

Ze kwam terug en toen waren ze nog druk bezig de dijken te dichten. Dat heeft ze ook meteen geschilderd. Er is een mooi schilderij van haar waarop een boertje aan het dijkgat zit te treuren met op de achtergrond de dijkwerkers, een kraan en nog zo wat. Dat boertje, ik weet vrijwel zeker dat dat de Gideonse was die er net achter gewoond had en waar Lensvelt zijn mest vandaan haalde, Piet Gideonse

Later organiseerde ze eens een kerstfeest voor de kinderen bij haar. Daar mochten wij en nog meer kinderen ook komen. Wij er naar toe natuurlijk, heel netjes aangekleed. En dan mochten we een pakje van onder een mooie kerstboom vandaan halen. Ja, dat kenden wij niet, hè. Misschien deed ze het om indruk te maken op haar nieuwe vriend van dat moment: zo ga ik met mijn buurkinderen om. Een sfeertje maken, ja, dat kon ze hoor.

Nog veel later, Claire leefde misschien niet eens meer, was er in Middelburg een veiling. Daar hadden ze ook werk van Claire Bonebakker. Nou, daar gingen mijn ouders naartoe. Ik was al getrouwd en ik kwam bij moeder en die zei: “kom es.” Hadden ze een schilderij van haar gekocht. Mama zei: “Kijk, die scheepjes.”  Die hoorde ze altijd uitvaren als ze ’s ochtends heel vroeg in de wei aan het melken was: “tukketukketukketuk…” Daarom wou ze het graag hebben. Dat schilderij was natuurlijk het uitzicht vanuit het Dijkhuis.

Het weiland dat we hadden dat grensde aan de dijk en de moestuin van Lensvelt, dat noemden ze ‘het lage weidje’. Die naam had het niet voor niks: de goede grond werd er van afgeschraapt om die moestuin op te vullen en de dijk te verstevigen. Dat deden ze altijd bij dijken. Een weiland langs de dijk was altijd slecht, daar kon je geen tarwe zaaien, daar kon je hooguit wat koeien op laten grazen. De mooiste grond was er afgehaald.

Mijn moeder had een jongere zus, die is net overleden, 91 jaar, tante Jannie. Ze werkte op Zeeduin bij Oostkapelle, een grote boerderij en daar was ze dienstmeisje. Om de 14 dagen had ze zondags een vrije dag, dan ging ze op de fiets de hele dag naar haar zus op Loodkop. Ze was veel jonger dan mijn moeder, ze was zo’n 16, 17 jaar toen. Maar het was oorlogstijd en dan moest je wel zorgen dat je op tijd weer terug was. En Boete Minneboo, dat was een jonge knul, een leuke, vlotte vent, die was visser van beroep maar kwam heel veel bij ons. Hij bracht soms vis mee en vaak werkte hij in de oogsttijd ook voor mijn vader, net als veel andere jonge jongens. 


(Boete Minneboo:         “En toen verjaarde  Ko’s vrouw en toen mocht ik ook komen. Dat was een leuk feestje en de

 zuster van Ko zijn vrouw was wel een aardig meisje toen. En die heb ik naar huis gebracht

want die woonde in Oostkapelle in dat bos. Ja, ’t was daar stikdonker, je had in de oorlog

geen licht, geen lamp. Ik ben daar verdwaald. Ja, op die oude rotfiets. Toen ben ik over de

 Polderse dijk gekomen en daar stonden de Duitsers en die hebben me opgepikt. Want je

mocht na twaalven niet meer op straat, he, en ’t was al één uur. En toen hebben ze me naar

het dijkhuis gebracht want die lui die zaten in het dijkhuis. En ik maar lamenteren maar ja,

het hielp niet. Ik bleef zitten tot de andere dag. Want ze wouden de commandant niet

wakker maken.  Ja en paniek. Want Boete is opgepakt door die Duitsers. Toen is Ko Brasser

gekomen, die kende die Duitsers goed. Die kwamen bij hem om eieren enzo. En die Ko die

heeft het dan voor elkaar gekregen dat ik weer vrijgelaten ben.”)

Mijn vader had een dorsmachine en werkte daar ook veel mee voor andere boeren. Vader betaalde die jongens dan vaak uit in graan. Dat maalden ze en dan konden ze ook weer brood bakken. Zo was het, hè, je was eigenlijk een soort supermarkt als je een boerderij had. Ik had weelde. Ik weet nog, als kind kwam ik niks tekort, het was een weelde-leven hier. Ik heb ook zo’n heimwee gehad naar die boerderij. Dat het allemaal kapot was, hè, ik heb zitten janken in m’n bedje boven, dat we nooit meer terug konden. Als kind, dat vergeet je niet, nou ben ik al 78, 79 in september. Maar die kinderjaren… Ik wist elk plekje.

Lensvelts tweede vrouw heb ik ook wel ontmoet in de oorlog. Dat was nogal een mevrouw, een dame, ook al ouder. Ze rook heel lekker naar parfum, ja, dat onthoud je. Heel de kamer rook ernaar.  Ze bracht een groot chocolade ei mee, het was zeker tegen Pasen. Dat kende je niet op het platteland.

De stad, die noemde ik Koekestad. Want als we erheen gingen dan ging mama op een terrasje zitten en dan kregen we een roombroodje met limonade. Mijn moeder was vrij modern. Die heeft nooit in dracht gelopen. Ze kwam wel uit een boerenfamilie maar haar vader was een beetje een avonturier die ook  lang de provincie uit was geweest: Brabant, Limburg, hij heeft daar zelfs nog in de mijnen gewerkt. Uiteindelijk kwamen ze toch weer terug in Zeeland en mijn moeder ging toen bij een oom in huis wonen. Ook een boer die wel hulp kon gebruiken. Ze werd daar als een kind ontvangen en heeft het daar heel goed gehad.  Ja en zondags ging je naar de kerk. Die lopen nu leeg maar vroeger had je niks anders. In de kerk zag je nog eens een ander.

Mijn vader zag mijn moeder daar voor het eerst, in de kerk, en dacht: “die meid, die wil ik hebben.” Maar hij durfde daar niet mee voor den dag te komen want het was toch een dochter van Jan van Soelen die niet zo’n beste naam had. Ze hebben wel zes jaar in stilte verkering gehad. Op een gegeven moment was er niemand om op Loodkop te boeren en toen zei m’n vader: “ik weet wat, ik ga het pachten van vader.” “Ja, maar je hebt geen vrouw”, werd er gezegd. “Nou, dan neem ik een huishoudster”, zei hij. Toen heeft hij eerst nog een jaar met twee knechten en een huishoudster uit Yerseke op Loodkop geboerd  en toen kreeg die huishoudster (die had wel een beetje een oogje op hem) in de gaten dat hij al lang in stilte verkering had en die vertrok. Het was een lief vrouwtje, die Sien, hoorde ik van mijn moeder, maar het was toch een beetje een wildwest huishouden. Mijn vader had bijvoorbeeld een mooie kast daar  en daar stopte hij naast zijn kleren ook zo maar zijn gereedschap in. Ze was nog jong. De knechten moesten haar leren melken. Ze deed alles heel braaf maar ze moest alles nog leren.

Nou, uiteindelijk ging ze dus weg en m’n grootmoeder in haar handen wringen en jammeren: “Hoe moet dat nu, nu zit je alleen op die boerderij! Nou moet ik voor je gaan bakken en ik moet dit en ik moet dat” “Oh” zei m’n vader, “dan zal ik het maar even zeggen. Ik heb al een meisje op het oog.  Ik wil trouwen.” “Wat!, Wie?” Nou ja, het water stond al aan haar lippen en ze was al lang blij dat er één kwam. Dus toen kreeg m’n vader toestemming. M’n moeder was heel erg handig. Die kon alles: boter maken, melken, alles. Dat had ze allemaal al geleerd bij die oom. Ze was heel flink voor haar werk en ze zag er goed uit. Maar ja, ze had geen geld.  Maar goed, zo is het dan toch goed gekomen. Ja, mijn vader was natuurlijk bang geweest dat hij niet op dat hof kon komen als hij niet op stand trouwde. Vooral zijn moeder was daar heel fel op, die had veel geld en stand moest met stand trouwen. Maar mijn moeder heeft zich door opoe nooit echt geaccepteerd gevoeld. Ja dat standsgevoel was heel sterk bij de boeren. En dan had je ook nog het geloof, hè, gereformeerd of hervormd. Dat was ook streng hoor!
 
Je had toen al het blad ‘de Boerderij’, dat kwam elke week en daar stond elke keer een recept in. Mama zag eens een recept van eierkoeken. “Dat ga ik proberen”, dacht ze. Stiktrots, want het lukte helemaal. En met die eierkoeken ging ze naar dat oude grootje, die woonde op Ben Trovato bij ome Lein, het was op een donderdagochtend toevallig. Opoe keek zo’n beetje nuffig en zei: “Hè? Ben je nu al naar de stad geweest? “Nee hoor,” zei mama trots, “die heb ik zelf gebakken met een recept van ‘De Boerderij’. Opoe keek toch een beetje argwanend, zo van dat kon toch eigenlijk niet.

Mama hield van mooie kleren enzo en vader hield ook van gezelligheid  maar opoe, die was wat behoudend. Het was bij ons een beetje ‘de zoete inval’. Iedereen mocht altijd bij ons mee eten en dat was altijd royaal. En dan kwam opoe wel eens binnen om wat zout of suiker te halen en dat deed ze dan altijd net onder etenstijd als de mensen nog rond de tafel zaten. Even goedendag zeggen, hè, als oude vrouw Brasser natuurlijk. Maar ondertussen keek ze op tafel en dan zei ze later: Ja, Jane, je had toch nogal veel, he…  Ze dacht natuurlijk van: ja, als je nou nog van geld afkomt maar zo was het niet… De gedachte was bij haar: je moet zuinig wezen, hè.

Lein, m’n grootvader, kwam oorspronkelijk uit Koudekerke, was de zoon van de molenaar daar. Zijn moeder kwam ook uit een rijke boeren familie en haar zoon moest natuurlijk ook een hof hebben. En toen hebben ze heel Walcheren afgestruind en uiteindelijk de Loodkop gekocht. Dat was een groot hof  en later hebben ze Ben Trovato gebouwd en het land verdeeld zodat er twee families konden boeren. Zo kwam mijn vaders broer Lein aan zijn eigen hof. Mijn grootvader was wel een moeilijke man voor zijn kinders en zijn vrouw misschien maar naar buiten toe helemaal niet. Je kon hem midden in de nacht uit bed halen om te helpen als een koe bijvoorbeeld kalven ging, dan stond hij altijd klaar.

Ja, Loodkop was steenoud, had tralies voor de ramen (mijn ouders zeiden tegen de zeerovers en dat was logisch want ze konden hier natuurlijk aanlanden en dan waren ze zo bij ons, hè), natuurlijk was dat iets uit heel oude tijden. Zulke dikke muren had dat huis en er stond het jaartal van 1200 op. Zo oud was het. Mijn vader wees wel eens op de verschillende soorten steentjes: sommige waren groen geglazuurd en vader zei dan: die zijn weer uit een andere tijd.

De plek van de Loodkop is niet in de jachthaven in het water maar net op dat stukje kade  voor het restaurant. Ja, die fundamenten liggen daar onder het beton hè. Ik weet nog dat je in de jaren vijftig het straatje van rond ons woonhuis nog kon zien liggen daar, net buiten de nieuwe dijk van 1945.

Na het bombardement van ’44 kwamen we in een huisje in de Kapellestraat terecht. Vreselijk was dat, als je dan van zo’n mooie boerderij komt… Een vreselijk kot was het. Ernaast woonde ten Klooster. In de tuin daar stond een tuinhuis en daar maakte hij zijn beelden. Dan hoorde je hem ’s nachts eraan bezig. 

Middelburg, 12 juni 2016

Geen opmerkingen:

Een reactie posten