woensdag 4 oktober 2017

HERINNERINGEN AAN FRITS LENSVELT EN VAKANTIE OP HET DIJKHUIS, 1935: AREND SERNÉ




Interview Arend Serné, geboren in Amsterdam, 1925, logeerde er in juli 1935

 (Serné is de laatste telg van een geslacht dat vanaf midden 19e eeuw de costumes leverde voor de Amsterdamse toneelgezelschappen en later ook voor tv productie)

Ja, als ik terugdenk aan de jaren waarin mijn vader bevriend was met Frits Lensvelt, werden we ook een keer uitgenodigd om op het Dijkhuis te komen logeren. Dat was een heel evenement. Het zou een hoogtepunt worden van de vakantie. We hadden al veel over het huis gehoord. Dat het op het eind van de dijk lag en over het Veerse Gat uitkeek. En dat was ook het fascinerende: dat uitkijken over het water. 

De gezelligheid herinner ik met het best. Er waren altijd heel geanimeerde gesprekken. Ze zaten daar uren te praten en herinneringen op te halen. Lensvelt en mijn vader waren allebei zeer gesteld op historische precisie. Zorgen dat de kostuums ook echt klopten met wat er indertijd gedragen werd. Ja en dan stuitte je soms bij de acteurs op opstandigheid en onwil om iets te dragen. En daar gingen veel van die gesprekken dan ook over.

Als jongetje zat ik daar natuurlijk alleen maar bij. Ik kende de familie natuurlijk ook niet.  Soms werd ik met Lensvelts zoon Boed uitgestuurd om het strand op te gaan. Dan waren we tenminste een tijd weg en konden ze met elkaar verder praten.  Boed was een geweldige liefhebber van schelpen en had een hele grote collectie daar, doosjes en laden vol met schelpen. En dan ging ik met hem dus schelpen zoeken. Ik kende he niet goed en ik was een beetje verlegen ook maar ik ging met hem mee. Doodstille stranden daar, richting Westkapelle. Daar liepen we met zijn tweeën te zoeken. Het klikte wel aardig hoewel het niet de gemakkelijkste conversatie was van beide kanten. Ik vond af en toe wel wat mooie schelpen maar die had hij ‘al lang’ en ‘ze waren toch helemaal niet zo mooi’. En mijn bijdrage was dus toch maar heel gering. En dan kwamen we weer terug op de dijk en dan zaten onze ouders e pimpelen met een glaasje wijn. Lensvelts dochter Puck was er ook die zomer. Die was nog weer ouder en had een vriendin te logeren. Die heb ik later nog wel eens ontmoet op de opening van een tentoonstelling van Boed. 
Als de vloed was opgekomen stond het water heel hoog tegen de dijk aan en dan zwommen er zeehonden voorbij in de verte, hele groepen zeehonden zwommen het Veerse Gat binnen. We hadden er een verrekijker liggen om het goed te kunnen zien. Voor mij als stadsjongen was dat een heel evenement.  Tegen de tijd dat het eb werd dan stak dat water wel tien meter naar beneden en dan kwam onderaan de dijk waar het huis op stond een strandje vrij en dan mochten we daar gaan zwemmen. Maar we moesten wel oppassen als de vloed opkwam. Dat was pas bijzonder voor een jongetje als ik: nu kunnen we zwemmen want het is eb! 

Mijn ouders genoten en ik met hen: van het weer en de opslag en dat prachtige Dijkhuis met zijn vergezichten en de eenzaamheid daar, niemand om je heen. Dat heeft me later ook altijd gefascineerd: dat je daar zo in stilte kon wonen en werken. En dat deed Lensvelt daar dan ook. In opperste concentratie werkte hij er aan zijn decors. Hij kon uren lang zitten schaven en schuren aan zijn ontwerpen, uitkijkend over het water, de luchten, de wolken, genietend van de stilte. Ja, en dan moest hij weer in Amsterdam zijn of Den Haag, waar de ontwerpen moesten worden uitgevoerd en de kostuums gemaakt en dan viel dat gewone dagelijkse leven hem toch vaak zwaar. Dan verlangde hij altijd weer terug naar het Dijkhuis als een soort paradijs, waar je heerlijk kon vertoeven  en jezelf kon verliezen in werk en studie. Zijn vrouw zei wel dat hij eigenlijk monnik had moeten worden. En ik herinner het me ook wel uit Amsterdam: als hij weer terug kon naar Middelburg, dan was hij helemaal in zijn element. 

Het huis was natuurlijk voor een stadsjongen nogal primitief. Waterleiding was er niet. Je moest buiten het water oppompen uit de waterput. Zo’n mooie met een koperen kraan en een mooie oude zwengel. Elektriciteit? Ja, dat herinner ik me niet echt goed. Het was natuurlijk zomer en lang licht dus hoe het huis verlicht werd weet ik eigenlijk niet. 

In de oorlog heb ik nog Lensvelts lessen gevolgd op de rijksacademie.  Ik was in 1942 van de middelbare school gekomen en moest wat scharrelen . Toen zei hij tegen mijn vader: laat hem maar komen tekenen die avonden dat hij lesgaf in historische kostuums. Mijn tekenen was natuurlijk lang niet zo goed als dat van de echte akademie leerlingen maar ik heb er veel geleerd. Lensvelt bereidde ook die lessen nauwgezet voor. Hij zocht altijd precies uit hoe bijvoorbeeld een Assyrisch of een Egyptisch kostuum gevouwen en gedragen moest worden uit een rechte lap stof en dat deed hij voor op modellen zodat de leerlingen ze konden tekenen. Dat boeide mij ook natuurlijk en heeft me ook later in het bedrijf enorm geholpen.

Ik ben toen ook wel eens bij hem op de Reinier Vinkeleskade geweest, het huis van zijn tweede vrouw, Annie van Rijn. Daar keek ik mijn ogen uit in de prachtige boeken die hij had over de antieke wereld.  

Amsterdam, 12 januari 2016

Geen opmerkingen:

Een reactie posten