Interview Wim Coppoolse, wiens vader boerde op 'Klein Essenhof' aan de Kraaiennestweg
We hadden ’s morgens de slager. Het was oktober dus dan
kreeg je vaak de najaarsslacht. Dus er werd een varken geslacht. Die slager
kwam van Gapinge. Vooraf hadden ze pamfletten afgeworpen waarin ze de bewoners
aanraadden naar hogere gebieden te gaan omdat er toch wel wat te gebeuren
stond. En die slager was daar een beetje driftig over. Hij zegt: ik wil hier
weg, ik wil hier weg”, hij voelde zich niet op zijn gemak. ’s Middags om 12 uur
was hij klaar en stond alles gereed en werd dan natuurlijk verder behandeld
door mijn moeder. We hadden toen ook een evacué uit Veere, die was bij ons
aangekomen want in Veere werd er nog al eens gebombardeerd op de sluizen. Dus
die voelde zich in Veere zelf niet meer zo plezierig. Die waren bij ons
ingetrokken. Dat was een echtpaar met een paar kinders. Dus zo liep dat. Samen
hebben ze die slacht min of meer behandeld zo ver mogelijk en nodig. Mijn vader
en de evacué gingen ’s middags voederbieten, mangels, zoals wij dan zeggen, trekken
want die had een perceeltje grond toegewezen gekregen in de richting van
Gapinge en daar gingen ze naartoe. Wij bleven rustig thuis. Naar school gingen
we helemaal niet meer in die tijd. Nee, dat was constant onveilig dus vandaar
dat er geen onderwijs meer gegeven werd. Zo was het toch eigenlijk best een
mooie dag. Prima weer ook, zonnig weer.
’s Middags om een uur of half drie komt
er op een gegeven moment een jagertje over. Dat was ook niet helemaal bijzonder
want dat gebeurde regelmatig. Die liet wat vallen op die dijk maar goed, dat
had verder geen gevolgen maar binnen pakweg een half uurtje tot een uurtje kwam
de hele stoet over vliegen en die liet constant eigenlijk bommen los. Mijn
moeder, onze evacué en de kinderen, wij stonden daar naar te kijken en op een
gegeven moment vonden we het niet meer zo plezierig. Toen zijn we ook een
stukje de kraayennestweg ingelopen richting Gapinge, waardoor je dus wat
afstand kreeg van dat gebeuren aan de dijk. Dat duurde pakweg een uur,
anderhalf uur, ik weet het niet eens precies meer hoor. En toen was het alles
over en was het redelijk stil. Dus ja, wij gingen weer terug naar de boerderij.
Maar dan krijg je toch de figuur dat redelijk snel de eerste ontploffingen
gebeurden. Dat was zo rond half vijf, vijf uur zeg maar. En dan gingen er
constant bommen af, dat ging steeds sneller en toen stond de hele zaak wel te
schudden op zijn grondvesten. Maar ja, wat wil je? We konden daar wel weggaan
maar je wist ook niet waar naartoe en we vermoedden natuurlijk dat er geen
bommen in onze directe omgeving waren gevallen. Een kilometer verderop wel maar
in onze omgeving niet. Want die vliegtuigen waren zo duidelijk waarneembaar dat
je daar een redelijk beeld van had.
Toen kwamen vader en onze evacué weer thuis
en hun vraag was ook direct van, ja, want die waren met een omtrekkende
beweging van Gapinge naar ons gekomen en huin vraag was: ja, hoe nu verder? Van
water was nog geen sprake. We waren toch van gedachte, voor zover ik me
herinner, dat er geen direct gevaar was en daarom bleven we ook rustig op de
boerderij. Althans rustig, met al die spanningen en al die toestanden… Want je
zag constant bomen de lucht ingaan. Ja, dat is een bijzonder vreemd gebeuren,
hoor! Je begrijpt niet dat je daar dan toch eigenlijk nog blijft maar waar ga
je naartoe? Zo ging dat door en het werd donker en op een gegeven moment werd
het ook minder natuurlijk, de ontploffingen. Een enkele keer hoorde je het nog
en dan zag je ook die waterzuilen van
bommen die in zee gevallen waren. Maar goed, dat werd dus steeds minder en ja,
we gingen naar bed. En dan ga je liggen schudden op je bed af en toe. Je
begrijpt het niet maar in zo’n periode, dat kun je toch niet van tevoren
bedenken. Het vreemde was, en dat zal ik me altijd blijven herinneren, dat is
toen we achter de schuur stonden, dan keken we zo op een lichtje van een boei
of van Camperland of zo, kortom ver weg. En dat was natuurlijk iets
buitengewoon vreemds want je keek altijd tegen de dijk aan, tegen de bomen die
daar bij de boerderij van Joosse stonden. Dus je wist min of meer dat de dijk
door was maar goed, er was nog geen water.
De andere morgen kwam er wel wat
water maar toch niet direct, maar ’s middags dan liep het al tot onze knieën
over het erf en kwamen ze dus van Vrouwenpolder onmiddellijk (want daar werd
dus alarm geslagen) om ons te evacueren. Dan krijg je de figuur dat we zoveel
mogelijk nog meenamen naar Vrouwenpolder. Wij konden dus achterlangs zo naar de
dijk toe en onderaan de dijk had je dus een waterloop, he, dat blijf ik me ook
altijd herinneren, toen wij daar langs gingen, althans toen ik er langs ging,
meegenomen werd, toen dreven de balken vanuit de woning van de familie Joosse,
die dreven daarvoor de heul, over de watergang en de appeltjes. Want de familie
Joosse was op de middag van het bombardement in de boomgaard aan het appels
plukken en die waren natuurlijk ook snel gevlucht, toen daar die bommen gingen
vallen. Maar die appels waren achtergebleven en die dreven bij ons voorbij
richting Vrouwenpolder toe. Het water stroomde van het Veerse Gat binnen vooral
langs die watergang, daarmee stroomden die appeltjes en die balken vanuit de
woning mee. Vrouwenpolder bleef droog daar ligt ook nog een binnendijk. Vader
en moeder hadden daar nog oude kennissen en daar konden we dan ook in. Die
woning zat natuurlijk ook hartstikke vol. Ja, maar in zo’n periode kan alles,
he, dus dan werd er niet meer gevraagd van moet zus en zo, dan is het alleen
maar overleven.
Dan komt de bevrijding. Het was 4 november of zo dat de
geallieerden vanuit Westkapelle langs de kust optrokken. Toen ze bij de
Oranjezon waren hadden ze een ultimatum gesteld aan de Duitsers van: de zaak overgeven,
anders dan gooien we het plat. Dat is ook een moment dat je ook niet licht
vergeet want dat ging rond in de bevolking natuurlijk. Toen hebben de Duitsers
gelukkig gecapituleerd en vanaf dat moment namen de Canadezen, enfin, de
geallieerden, het dorpje over. Dat werd toch een soort feest. Maar ja, een van
de eerste urgente dingen was toen: hoe verder? Ondertussen was er rond
Vrouwenpolder een nooddijkje aangelegd zodat een gedeelte van het dorp toch
droog bleef en daar hadden dus alle mannen aan meegewerkt, mijn vader ook.
Vanaf dat moment is hij ook altijd betrokken gebleven bij de dijkdichting. Dat
was toen o.a. die Dekker die met ingenieur Mol de eerste acties namen om zoveel
mogelijk de schade te beperken. En zo bleef mijn vader ook bij de dichting van
het dijkgat betrokken. Ondertussen hadden we in Vrouwenpolder een woning die
door de Duitsers was ontruimd toegewezen gekregen samen met nog een gezin dus
we zaten met zijn tweeën toch redelijk riant hoor. En mijn vader ging dus elke
dag op en neer naar het werk. Op ‘Klein Essenhof’ kwamen we niet meer dan een
enkele keer. Ze hebben geprobeerd om zoveel mogelijk nog te redden wat nog te
redden viel maar daar waren eigenlijk niet zo veel mogelijkheden meer. Huisraad
en serviesgoed was natuurlijk wel naar de zolder gebracht, dus dat is voor het
overgrote deel wel bewaard gebleven.
Mijn grootmoeder en een tante van me waren
geëvacueerd, die waren op leeftijd en moesten weg van de Duitsers, die waren
naar Groningen vertrokken en mijn vader had hun woning moeten ontruimen, dus
die meubels stonden ook bij ons. Dat
waren vrij grote kabinetten enzo, die zijn wel in het water terecht gekomen. Om
die naar boven te krijgen, veilig te stellen,
daar hadden ze geen kans meer toe gezien. Dan komt natuurlijk de periode
van dat de dijk voltooid is, in november zo ongeveer, november ’45. Wij zijn
toen in februari ’46 – want de bewoners of liever de eigenaren van de woning in
Vrouwenpolder, die wilden toch wel graag in hun eigen woning terug –
teruggegaan naar de boerderij. Ja, van armoe werd de zaak weer een beetje
opgeschoond. Bij ons lag er pakweg een halve meter tot een meter zand. Want
door de dijkstichting werd er natuurlijk zand opgespoten en dat werd door de
stroom voor een deel meegenomen. Dat sloeg neer en aan onze kant waren ze
begonnen met de dijkdichting dus vandaar dat er rondom de gebouwen lag er een
enorme berg troep en ellende. We zijn in februari zo’n beetje teruggekomen en
komt gaandeweg de wederopbouw. We hoefden natuurlijk zelf niet al dat zand af te
graven maar op het erf wel. Later in dat jaar kwam er een ploeg NSB-ers die
geïnterneerd waren en er werd een smalspoor aangelegd om het zand van het
bouwland af naar de kreken toe te brengen. Zo werd dat dus weer enigszins
schoongemaakt.
Doordat we zo dicht bij het dijkgat zaten had je een hoop
ellende en al die kreken rondom. Dus vooral het eerste jaar, in ’46, groeide er
praktisch niks. ’47 was een hele droge zomer en toen steeg het zout uit de
ondergrond min of meer weer naar de oppervlakte. Dus ook dat was maar een heel
mager jaar. Maar gaandeweg werd het dan wel wat beter. Toen kwam ook de
ruilverkaveling op gang, de herverkaveling van Walcheren werd aangenomen, dus
toen werden ook de sloten weer opgeschoond en zo zie je dan dat rond pakweg
1950 weer enigszins normaal geboerd kan worden. Dat was over het eiland wel min
of meer zo. Ach, de streken waar dus minder schade ontstaan was, daar was het
wellicht ietsje eerder maar grofweg. Dat zout, dat moest toch uit de grond
overal, he. Er waren ook gebieden waar er veel mosselschelpen aan de bomen
gegroeid waren , heesters enzo.
Zanddijk, 11 oktober 2015
Geen opmerkingen:
Een reactie posten