Interview Betsy ‘Zus’ Wisse-Brasser (1937), de dochter van Ko Brasser, die boerde op 'De Loodkop'
Kijk, mijn moeder nam me soms mee om te gaan zwemmen op
het strandje bij het Dijkhuis, dan staken we zo door het land, de plank over en
langs de dijk naar beneden. Op een dag zaten we daar weer en toen stond opeens
meneer Lensvelt in het poortje naast het huis bovenaan de trap naar het
strandje. Trouwens een prachtige, eeuwenoude stenen trap. “Weet u wel dat dit
een prive strandje is”, zei hij en wij gingen maar weg. Mijn moeder was kwaad.
“Wat denkt hij wel, alle stranden zijn toch openbaar?”, zei ze verbolgen. Mijn vader bromde maar wat en kon er wel om
lachen, die kon het goed met Lensvelt vinden. Maar pas nu kom ik erachter dat
hij gelijk had! Het was van hem! Dat heeft mijn moeder nooit geweten. Wij gingen in het vervolg op een andere hoek
van de dijk naar beneden om te zwemmen. Daar was dan wel niet zo’n mooi
strandje maar zwemmen kon je er even goed.
Als mama en papa op zondagochtend dan gingen zwemmen, ome
Lein ook, ja zo oud waren ze nog niet, zo tegen de dertig misschien, ja, op een
prachtige zomerdag gingen ze niet in de kerk zitten! Opoe had dat wel gewild
natuurlijk. Goed, dan gingen ze zwemmen dus en dan kwam net de kerk uit. En dan
kwamen er wel gereformeerde buren langsrijden op weg naar huis. Nou, die deden
maar of ze ons niet zagen want dat zwemmen, dat was een schande hoor!
Martien Volmer werkte lang voor mevrouw Bonebakker. Ze
heeft nog een schilderij gemaakt van dat boerderijtje waar Martien en Jan
Volmer woonden voor een verjaardag of zoiets. Dat was een schuur en een huis
aan elkaar. Het hangt nu waarschijnlijk bij hun schoondochter bij Sandenburg.
Mevrouw Bonebakker en Martien, dat waren bijna vriendinnen. Claire was in Indië
geboren, ze heeft ook nog een zus en haar vader was bankier. Er was een
ouderwetse boomgaard bij het Dijkhuis en die prachtige tuin. Dan zag je mevrouw
Bonebakker daar in haar bikini zitten want het was een moderne meid en een
schoonheid. Ze was een innemende persoonlijkheid, ik was ook dol op haar. Dan
zag ik haar zitten en ik vond haar zo mooi. Met die lippenstift, dat vond ik zo
bijzonder. Je keek je ogen uit. Platteland, hè, je kwam toch niet ver in die
oorlogstijd? Ik ben ook wel eens met
mama bij haar op het Dijkhuis geweest. Ik wist niet wat ik zag: zo mooi
meubilair. Ik zag er voor het eerst een stoel, zo met chroom, zoals ik alleen
kende van foto’s uit Hollywood, van filmsterren, die hadden ook zulke stoelen. Claire
was heel enthousiast en zei: “kijk eens wat een uitzicht!” En wij kijken over
dat zeegat met die woelige zee! Ze kwam ook regelmatig bij ons op Loodkop. Mama
maakte zelf boter natuurlijk en daar kwam ze dan wel om.
Ik weet dat Claire in de oorlog naar Zwitserland is
gevlucht. Dat heeft ze zelf verteld na de oorlog toen we nog in de
Kapellestraat woonden. Ze was ineens terug en stapte binnen en zei: “ik ben
terug”. Ah, dat was een hereniging natuurlijk! Ze zei: “ik heb de Korenbloem
gekocht.” Dat was een mooi huis op de Kaai. Martien Volmer was het al aan het
schoonmaken, de schilder was al bezig maar zelf mengde ze de verf. Mama gaf
haar een pakje roomboter, een delicatesse natuurlijk. Die avond bij haar thuis
in de Korenbloem vertelde ze verder over Zwitserland. Ja, hoe ze er gekomen is
weet ik niet maar ze was van een bankiersfamilie, misschien hadden die
connecties. “Je moet maar niet vragen hoe maar ik ben er gekomen”, zei ze . “Ik
had niks maar ik had wel gezorgd dat ik mijn penselen en mijn schildersgerei
bij me had. Ik kwam in een dorp en ik keek naar die hoogwaardigheidsbekleders
daar en hoe ze woonden. Ik ging daar direct zo’n landhuis uitschilderen.” Dat
verkocht ze en ze zei: “en toen had ik ineens geld, hè. Dat is mijn behoud
geweest.” Ja, ze was echt slim.
Ze kwam terug en toen waren ze nog druk bezig de dijken
te dichten. Dat heeft ze ook meteen geschilderd. Er is een mooi schilderij van
haar waarop een boertje aan het dijkgat zit te treuren met op de achtergrond de
dijkwerkers, een kraan en nog zo wat. Dat boertje, ik weet vrijwel zeker dat
dat de Gideonse was die er net achter gewoond had en waar Lensvelt zijn mest
vandaan haalde, Piet Gideonse
Later organiseerde ze eens een kerstfeest voor de kinderen
bij haar. Daar mochten wij en nog meer kinderen ook komen. Wij er naar toe
natuurlijk, heel netjes aangekleed. En dan mochten we een pakje van onder een
mooie kerstboom vandaan halen. Ja, dat kenden wij niet, hè. Misschien deed ze
het om indruk te maken op haar nieuwe vriend van dat moment: zo ga ik met mijn
buurkinderen om. Een sfeertje maken, ja, dat kon ze hoor.
Nog veel later, Claire leefde misschien niet eens meer,
was er in Middelburg een veiling. Daar hadden ze ook werk van Claire
Bonebakker. Nou, daar gingen mijn ouders naartoe. Ik was al getrouwd en ik kwam
bij moeder en die zei: “kom es.” Hadden ze een schilderij van haar gekocht.
Mama zei: “Kijk, die scheepjes.” Die
hoorde ze altijd uitvaren als ze ’s ochtends heel vroeg in de wei aan het
melken was: “tukketukketukketuk…” Daarom wou ze het graag hebben. Dat
schilderij was natuurlijk het uitzicht vanuit het Dijkhuis.
Het weiland dat we hadden dat grensde aan de dijk en de
moestuin van Lensvelt, dat noemden ze ‘het lage weidje’. Die naam had het niet
voor niks: de goede grond werd er van afgeschraapt om die moestuin op te vullen
en de dijk te verstevigen. Dat deden ze altijd bij dijken. Een weiland langs de
dijk was altijd slecht, daar kon je geen tarwe zaaien, daar kon je hooguit wat
koeien op laten grazen. De mooiste grond was er afgehaald.
Mijn moeder had een jongere zus, die is net overleden, 91
jaar, tante Jannie. Ze werkte op Zeeduin bij Oostkapelle, een grote boerderij
en daar was ze dienstmeisje. Om de 14 dagen had ze zondags een vrije dag, dan
ging ze op de fiets de hele dag naar haar zus op Loodkop. Ze was veel jonger
dan mijn moeder, ze was zo’n 16, 17 jaar toen. Maar het was oorlogstijd en dan
moest je wel zorgen dat je op tijd weer terug was. En Boete Minneboo, dat was
een jonge knul, een leuke, vlotte vent, die was visser van beroep maar kwam
heel veel bij ons. Hij bracht soms vis mee en vaak werkte hij in de oogsttijd
ook voor mijn vader, net als veel andere jonge jongens.
(Boete
Minneboo: “En toen verjaarde Ko’s
vrouw en toen mocht ik ook komen. Dat was een leuk feestje en de
zuster van Ko zijn vrouw was wel een aardig
meisje toen. En die heb ik naar huis gebracht
want die
woonde in Oostkapelle in dat bos. Ja, ’t was daar stikdonker, je had in de
oorlog
geen licht,
geen lamp. Ik ben daar verdwaald. Ja, op die oude rotfiets. Toen ben ik over de
Polderse dijk gekomen en daar stonden de
Duitsers en die hebben me opgepikt. Want je
mocht na
twaalven niet meer op straat, he, en ’t was al één uur. En toen hebben ze me
naar
het
dijkhuis gebracht want die lui die zaten in het dijkhuis. En ik maar lamenteren
maar ja,
het hielp
niet. Ik bleef zitten tot de andere dag. Want ze wouden de commandant niet
wakker
maken. Ja en paniek. Want Boete is
opgepakt door die Duitsers. Toen is Ko Brasser
gekomen,
die kende die Duitsers goed. Die kwamen bij hem om eieren enzo. En die Ko die
heeft het
dan voor elkaar gekregen dat ik weer vrijgelaten ben.”)
Mijn vader had een dorsmachine en werkte daar ook veel
mee voor andere boeren. Vader betaalde die jongens dan vaak uit in graan. Dat
maalden ze en dan konden ze ook weer brood bakken. Zo was het, hè, je was
eigenlijk een soort supermarkt als je een boerderij had. Ik had weelde. Ik weet
nog, als kind kwam ik niks tekort, het was een weelde-leven hier. Ik heb ook
zo’n heimwee gehad naar die boerderij. Dat het allemaal kapot was, hè, ik heb
zitten janken in m’n bedje boven, dat we nooit meer terug konden. Als kind, dat
vergeet je niet, nou ben ik al 78, 79 in september. Maar die kinderjaren… Ik
wist elk plekje.
Lensvelts tweede vrouw heb ik ook wel ontmoet in de
oorlog. Dat was nogal een mevrouw, een dame, ook al ouder. Ze rook heel lekker
naar parfum, ja, dat onthoud je. Heel de kamer rook ernaar. Ze bracht een groot chocolade ei mee, het was
zeker tegen Pasen. Dat kende je niet op het platteland.
De stad, die noemde ik Koekestad. Want als we erheen
gingen dan ging mama op een terrasje zitten en dan kregen we een roombroodje
met limonade. Mijn moeder was vrij modern. Die heeft nooit in dracht gelopen. Ze
kwam wel uit een boerenfamilie maar haar vader was een beetje een avonturier
die ook lang de provincie uit was
geweest: Brabant, Limburg, hij heeft daar zelfs nog in de mijnen gewerkt.
Uiteindelijk kwamen ze toch weer terug in Zeeland en mijn moeder ging toen bij
een oom in huis wonen. Ook een boer die wel hulp kon gebruiken. Ze werd daar
als een kind ontvangen en heeft het daar heel goed gehad. Ja en zondags ging je naar de kerk. Die lopen
nu leeg maar vroeger had je niks anders. In de kerk zag je nog eens
een ander.
Mijn vader zag mijn moeder daar voor het eerst, in de
kerk, en dacht: “die meid, die wil ik hebben.” Maar hij durfde daar niet mee
voor den dag te komen want het was toch een dochter van Jan van Soelen die niet
zo’n beste naam had. Ze hebben wel zes jaar in stilte verkering gehad. Op een
gegeven moment was er niemand om op Loodkop te boeren en toen zei m’n vader:
“ik weet wat, ik ga het pachten van vader.” “Ja, maar je hebt geen vrouw”, werd
er gezegd. “Nou, dan neem ik een huishoudster”, zei hij. Toen heeft hij eerst
nog een jaar met twee knechten en een huishoudster uit Yerseke op Loodkop
geboerd en toen kreeg die huishoudster
(die had wel een beetje een oogje op hem) in de gaten dat hij al lang in stilte
verkering had en die vertrok. Het was een lief vrouwtje, die Sien, hoorde ik
van mijn moeder, maar het was toch een beetje een wildwest huishouden. Mijn
vader had bijvoorbeeld een mooie kast daar en daar stopte hij naast zijn kleren ook zo
maar zijn gereedschap in. Ze was nog jong. De knechten moesten haar leren
melken. Ze deed alles heel braaf maar ze moest alles nog leren.
Nou, uiteindelijk ging ze dus weg en m’n grootmoeder in
haar handen wringen en jammeren: “Hoe moet dat nu, nu zit je alleen op die
boerderij! Nou moet ik voor je gaan bakken en ik moet dit en ik moet dat” “Oh”
zei m’n vader, “dan zal ik het maar even zeggen. Ik heb al een meisje op het
oog. Ik wil trouwen.” “Wat!, Wie?” Nou
ja, het water stond al aan haar lippen en ze was al lang blij dat er één kwam.
Dus toen kreeg m’n vader toestemming. M’n moeder was heel erg handig. Die kon
alles: boter maken, melken, alles. Dat had ze allemaal al geleerd bij die oom.
Ze was heel flink voor haar werk en ze zag er goed uit. Maar ja, ze had geen
geld. Maar goed, zo is het dan toch goed
gekomen. Ja, mijn vader was natuurlijk bang geweest dat hij niet op dat hof kon
komen als hij niet op stand trouwde. Vooral zijn moeder was daar heel fel op,
die had veel geld en stand moest met stand trouwen. Maar mijn moeder heeft zich
door opoe nooit echt geaccepteerd gevoeld. Ja dat standsgevoel was heel sterk
bij de boeren. En dan had je ook nog het geloof, hè, gereformeerd of hervormd.
Dat was ook streng hoor!
Je had toen al het blad ‘de Boerderij’, dat kwam elke week en daar stond elke keer een recept in. Mama zag eens een recept van eierkoeken. “Dat ga ik proberen”, dacht ze. Stiktrots, want het lukte helemaal. En met die eierkoeken ging ze naar dat oude grootje, die woonde op Ben Trovato bij ome Lein, het was op een donderdagochtend toevallig. Opoe keek zo’n beetje nuffig en zei: “Hè? Ben je nu al naar de stad geweest? “Nee hoor,” zei mama trots, “die heb ik zelf gebakken met een recept van ‘De Boerderij’. Opoe keek toch een beetje argwanend, zo van dat kon toch eigenlijk niet.
Mama hield van mooie kleren enzo en vader hield ook van
gezelligheid maar opoe, die was wat
behoudend. Het was bij ons een beetje ‘de zoete inval’. Iedereen mocht altijd
bij ons mee eten en dat was altijd royaal. En dan kwam opoe wel eens binnen om
wat zout of suiker te halen en dat deed ze dan altijd net onder etenstijd als
de mensen nog rond de tafel zaten. Even goedendag zeggen, hè, als oude vrouw
Brasser natuurlijk. Maar ondertussen keek ze op tafel en dan zei ze later: Ja,
Jane, je had toch nogal veel, he… Ze
dacht natuurlijk van: ja, als je nou nog van geld afkomt maar zo was het niet…
De gedachte was bij haar: je moet zuinig wezen, hè.
Lein, m’n grootvader, kwam oorspronkelijk uit Koudekerke,
was de zoon van de molenaar daar. Zijn moeder kwam ook uit een rijke boeren
familie en haar zoon moest natuurlijk ook een hof hebben. En toen hebben ze
heel Walcheren afgestruind en uiteindelijk de Loodkop gekocht. Dat was een groot
hof en later hebben ze Ben Trovato
gebouwd en het land verdeeld zodat er twee families konden boeren. Zo kwam mijn
vaders broer Lein aan zijn eigen hof. Mijn grootvader was wel een moeilijke man
voor zijn kinders en zijn vrouw misschien maar naar buiten toe helemaal niet.
Je kon hem midden in de nacht uit bed halen om te helpen als een koe
bijvoorbeeld kalven ging, dan stond hij altijd klaar.
Ja, Loodkop was steenoud, had tralies voor de ramen (mijn
ouders zeiden tegen de zeerovers en dat was logisch want ze konden hier
natuurlijk aanlanden en dan waren ze zo bij ons, hè), natuurlijk was dat iets
uit heel oude tijden. Zulke dikke muren had dat huis en er stond het jaartal
van 1200 op. Zo oud was het. Mijn vader wees wel eens op de verschillende
soorten steentjes: sommige waren groen geglazuurd en vader zei dan: die zijn
weer uit een andere tijd.
De plek van de Loodkop is niet in de jachthaven in het
water maar net op dat stukje kade voor
het restaurant. Ja, die fundamenten liggen daar onder het beton hè. Ik weet nog
dat je in de jaren vijftig het straatje van rond ons woonhuis nog kon zien
liggen daar, net buiten de nieuwe dijk van 1945.
Na het bombardement van ’44
kwamen we in een huisje in de Kapellestraat terecht. Vreselijk was dat, als je
dan van zo’n mooie boerderij komt… Een vreselijk kot was het. Ernaast woonde
ten Klooster. In de tuin daar stond een tuinhuis en daar maakte hij zijn
beelden. Dan hoorde je hem ’s nachts eraan bezig.
Middelburg, 12 juni 2016