woensdag 4 oktober 2017

OORLOGSHERINNERINGEN AAN DIJKHUIS EN OOSTWATERING: LIJN BRASSER



Interview Lijn Brasser (1936) wiens vader boerde op de 'Loodkop' aan de Landschuurweg

Van de oorlog weet ik eigenlijk nog heel veel. Ik ben geboren op Loodkop dan. Daar werd ik dan opgekweekt en ik weet nog dat bij de mobilisatie mijn vader in dienst moest. Dan kreeg je ook vrij, zal ik maar zeggen, en toen kwam hij in een pak net als een politieagent, met zo’n hoge pet enzo. Ja, ik schreeuwde moord en brand. Zo kwam hij op de boerderij, ik wist niet wat ik zag en schrok me rot. Net een agent!  Ja iedereen moest in dienst toen.

Ik weet nog goed dat hij in dienst was, hoor. Ik ben wel eens met mijn moeder naar hem toe geweest. Dan logeerden we op Yerseke. Daar was hij gelegerd. Op een boerderij, bij Kruiningen, zal ik maar zeggen. Dan gingen we met de trein van Middelburg naar het station daar. En ik weet nog van dat eten daar. Ik kon toch altijd wel tamelijk goed eten. Daar hadden ze zo’n soort keukenkar en die kok die kwam dan vragen wat je wou hebben. Ik weet nog goed wat ik toen gegeten heb: aardappels met peentjes en een eitje. Ja, ik was een jaar of vier en ik vond het heel lekker! Ja, zulke dingen onthoud je. 

Toen in ’40 de Duitsers kwamen, kwam mijn vader ook weer thuis. Eerst konden we daar gewoon blijven maar op den duur moesten we van de boerderij af. In ’43, ’44 ongeveer. In ’43 gingen ze palen zetten in het land. Daar zaten mijnen op. Zagen eruit als een fles. Dat was voor de landing deden ze dat. Toen moesten we evacueren naar Veere. (Bram Huibregtse: wij net niet.) Coppoolse zat meer aan de kant van Vrouwenpolder, die hoefden ook niet weg. De broer van mijn vader van Ben Trovato hoefde ook niet weg. Toen zijn we dus in Veere geweest. Maar op den duur zei mijn vader: we gaan terug naar de boerderij. Dat mocht eigenlijk niet, hoor. We hadden een herdershond, een grote wolfshond, die was zo stik gehoorzaam, buitengewoon. Toen zijn we dus terug verhuisd en dan ’s nachts kwamen die soldaten patrouilleren, die daar zaten op dat dijkhuis van Lensvelt, en dan klopten ze op de blinden die natuurlijk dicht waren. Die hond die lag dan ook in huis maar die blafte niet. We hadden ook ganzen en daaraan hoorden mijn vader en moeder dat er volk kwam want die zijn ook waakzaam, die kakelden verschrikkelijk. Maar die hond deed niks, die mocht niet blaffen want dan verraadde die de boel natuurlijk. Boeren mochten ze wel overdag, dat wel. Maar dan is het ook nog een keer gebeurd met mijn ome Jan, een broer van mijn moeder, die was knecht bij mijn vader, die liet zo’n mijn afgaan toen die graan ging ophalen van het land en die draad in het gareel van het paard vasthaakte. Ja, toen was natuurlijk Leiden in last. De Duitsers hadden zo’n bunker op de dijk gebouwd met een kanon en dat stond soms gericht op onze boerderij. Die bunker stond op de dijk bij de Landschuur, bij de ‘aprel’, de op- of afrit, aan de binnenkant van de dijk. Ja, zo noemden ze dat in het zeeuws: een aprel. En die bunker stond dan net waar die aprel boven kwam aan de landskant.  

Volgens mij is dat dijkhuis nooit door de Duitsers afgebroken. Het is gewoon weggebombardeerd door de geallieerden. Het diende om de Duitse soldaten in onder te brengen. De hele oorlog door. Maar ik kan dat niet meer met zekerheid zeggen. 

Er liep daar ook een spoorlijntje, van de TOT. Door het kanaal voerden ze door de Sluis naar Veere zand en grint aan. En dat werd net achter de boerderij van Huibregtse op een berg neergekukeld. Dus toen hebben ze van daaruit een spoorlijn gelegd naar Vrouwenpolder, Oostkapelle, Domburg en Westkapelle. En met wagonnetjes, karretjes werd al dat spul daar naartoe gereden voor de bunkerbouw in de duinen. Ja, de Atlantik Wal, he.

En zo zijn we er dan verder gebleven tot ’44 toen de dijk doorgegooid werd.

Ze hadden wel pamfletten afgegooid hoor. Weg blijven van openbare wegen, weg blijven van militaire objecten, afijn, noem maar op. Maar ja, met je vee en je hele rotzooise boel, waar moet je naar toe? Dus de mensen wisten van toeten nog blazen, dus die bleven waar ze waren. Maar mijn vader en moeder waren wel gewaarschuwd hoor, dat ze weg moesten. Die hadden een goede kennis, die woonde in Vlissingen en die zat in de ondergrondse. Die kwam veel op de boerderij bij ons. Die kwam het zeggen: je moet hier vertrekken hoor want dat gaat niet goed hier, hoor! Die wist het van tevoren al dat er daar gebombardeerd zou worden. Oh, zei mijn vader, ja, dat zal wel.  Maar ja, het kwam wel uit natuurlijk…

Hier had mijn oom graan gestoppeld, luchtig geploegd, met drie paarden. Daar was hij net mee bezig. Ik weet nog goed, mijn opoe, die verjaarde en mijn zuster en mijn moeder waren daar op visite. En mijn oom was daar dus op het land. En dan zagen we een bommenwerper over Gapinge komen aanvliegen en twee andere er achter. Maar die voorste moest het teken geven dat ze mochten lossen. We keken ernaar en mijn oom, ja, die was nogal zuinig op zijn paarden, die zei, die moeten de sloot in. Maar het waren tijdbommen dus er gebeurde niks. Ik en mijn neefje Jan van 4, 5 jaar moesten wel dat slootje in. Mijn vader was aan het werk op Zanddijk. Die verloor de controle over de paarden want die schrokken zich wild van die overvliegende vliegtuigen enzo. Dus die vlogen boven op elkaar, al het tuig ging kapot. En toen is mijn vader ook in zo’n slootje terecht gekomen. En die kwam daarna bij mijn moeder en zei: ja, wat er aan de hand is, ik weet het niet, ze hebben wat uit die vliegtuigen gekukeld maar der gebeurt niks. Typisch, he. Maar even later, toen begon het! En dan keek ik naar de dijk en daar liep een berg soldaten en dan zag ik daar jongens lopen die gewoon opgeblazen werden. 

Op de Loodkop is ook een bom gevallen. Mijn moeder was dus niet thuis, die was immers op visite bij mijn opoe. De hele boel, het hele huis vloog de lucht in toen met die tijdbommen. Mijn vader was loonwerker, he, die dorste aan de Veerseweg met een paar knechts en die zei tegen de ene, dat was Aart Maljers uit Veere, ‘Sterke Aart’:  ga eens kijken hoe het thuis is. En die ging op de fiets over de weg naar de boerderij, het hof op, en die keek en die is nog binnen geweest en die vond het allemaal nog netjes in orde maar in de keuken zat een groot gat in de grond naast de bakoven waar mijn moeder brood bakte en daar lag zo’n ding in. Hij ging naar buiten en was net weg en toen ging de hele rotzooi de lucht in. En toen zijn ze gevlucht de kant van Gapinge op, naar een boerderij. ’s Nachts zijn we bij Volmer gebleven, de melkrijder, zijn vrouw werkte op het dijkhuis als huishoudster. Die had een zoon, Bart, en die kwam op de fiets van Zanddijk want die dacht: dat gaat niet goed, he, daar bij mijn vader en moeder. En die zei: Wegwezen hier, dat zijn tijdbommen! Toen zijn we gauw gevlucht natuurlijk. Maar dat was dus natuurlijk al eerder, he. Maar die nacht was er nog iemand met zijn gezin, die was uit Veere geëvacueerd. En toen keken we richting de dijk maar die was helemaal weg. Raar gezicht hoor! Dan keek je zo de zee in. En toen kwam ’s nachts het water op en Volmer die had een paard en wagen en die man uit Veere, Huibregt, die zei: we gaan naar Veere, naar mijn woning. Ik geloof dat het een uur of twaalf ’s avonds was, toen werd die wagen voor de deur gezet, wat beddengoed erop, en wij er allemaal op, er stond al zo’n laagje water, zo’n 20 cm misschien. Maar verderop was de weg veel lager, daar stond al een meter water. En dus zei Volmer: dat kan niet, hoor! We kunnen niet naar Veere, dan verzuipen we. We waren dus net op die wagen geklommen, toen kwamen er drie jagertjes, Engelsen of Amerikanen, he, die kwamen kijken hoe de situatie was met lichtkogeltjes. Dus we zijn toch maar op het boerderijtje van Volmer gebleven. We konden niet weg. Twee dagen zijn we er nog gebleven en toen zijn we naar Kleverskerke gegaan., naar een broer van mijn vader. Dat bleef droog, he, aan de andere kant van het kanaal. Maar daar hebben we het ook benauwd gehad hoor.

In november zijn we bevrijd. Naar Veere kwamen ze vanaf de Sloedam. Toen was het gevecht aan de westkant bij Westkapelle en Domburg al gebeurd natuurlijk. Daar heeft het wel 6 of 7 dagen geduurd voordat Vrouwenpolder bevrijd werd. In Veere hebben we vijf dagen in de kelder gezeten. Vijf dagen deden ze niet anders dan schieten. 

(interview 24 november 2015)




Geen opmerkingen:

Een reactie posten