woensdag 4 oktober 2017

HERINNERINGEN AAN HET VOOR-OORLOGSE DIJKHUIS, DE OORLOG EN DE LENSVELTS: BOETE MINNEBOO



Interview Boete Minneboo, geboren 1924

Dat kwam zo, ’t was in het najaar. Ja, en dan was dat onbewoond, dat spul daar. Wij liepen toch ook allemaal maar niks te doen en uit te vreten en dit en dat. Ja, zo is dat met schooljongens. En dan konden we met zo’n peewagen meerijden naar Vrouwenpolder. Ik wil mezelf niet schoonpleiten maar ’t is wel zo. Ik ben maar een keer mee geweest. Dan zaten ze te fluisteren van ‘magtie mee, magtie mee? Zo ging dat dan, he, met die jongens. Dus op den duur, dan werd je nieuwsgierig en dan mocht ik ook mee. Hun, die andere, hadden de boel al verkend, die waren al een paar keer geweest. Die hadden een raampje opengemaakt en waren naar binnen geglipt natuurlijk. Of aan de andere kant, daar beneden, daar had je die boomgaard, en dan was het natuurlijk peertjes en appeltjes plukken. Maar nou zat daar een koeienwachter, die had dat wel in de gaten natuurlijk en die kreeg ook wel eens een appeltje en een peertje van ons, maar ik denk dat die de zaak verraden heeft. 

Wat deden we binnen? Ja, daar was natuurlijk van alles. Lensvelt had daar natuurlijk een hoop dingen liggen. Die knutselde nogal veel. Een piano stond er en schilderijen. Van alles stond er. Een beitel en een hamer en een schaaf en een zaag enzo. En ja, de een probeerde de beitel en de ander probeerde es met een schaaf. We hebben niks gejat. Daarom hebben ze ons ook niks kunnen maken omdat we niks gestolen hadden. Bijna hadden ze ons kunnen pakken omdat we uit de boomgaard wel wat gestolen hadden maar in huis, daar hebben we enkel maar de zaak… Er was voor tweehonderd gulden schade . Toen. Dus dat was behoorlijk.

Ik ben alleen de laatste keer maar meegeweest en toen zijn we eigenlijk maar eventjes geweest want toen kwam er al weer een peewagen aan waarmee we weer mee konden rijden. Een peewagen, dat was een bietenwagen. Die kwamen bij de boeren vandaan.. De kaai lag in november altijd vol met suikerbieten. Dat was de peetijd, he. Dan kwamen die boeren van Vrouwenpolder en overal de bieten brengen. 

En toen op een gegeven moment ’s morgens werd er aan de bel getrokken en daar stond de politie voor de deur. Ja, meekomen. Werden we gearresteerd. Omdat we daar ingebroken hadden. Ik weet niet meer precies met zijn hoevelen we waren. Een man of zes, zeven. Wie dat nou waren? Ja, Barendse was er, Frans Sturm, Izak Blind, Kees Jansen, en ik zei de gek. Ja, der moeten er nog een paar geweest zijn maar die kan ik me niet meer herinneren. ’t Is ook al zo donders lang geleden. Ik weet nog wel dat ik bij mijn moeder achterop twee keer naar Middelburg geweest ben, voor het gerecht gestaan heb. Mijn vader en moeder waren toen niet blij met me. Want je kreeg natuurlijk een hele naam door Veere, van inbreker en al die dingen meer. Maar ja, ik heb mijn leven later gebeterd dus, ik ben niet in het criminele circuit gebleven.

En dan ben ik nog es een keer, later in de oorlog, toen ben ik nog es een keer gepakt. Want dat was bij Ko Brasser, die had een feestje. Zijn vrouw verjaarde. En daar werden pannenkoeken gebakken. Enfin, dat was altijd een goed feestje bij Ko Brasser. Ik werkte toen bij Ko Brasser omdat in de visserij, daar kregen we geen olie, dus dan konden we niet vissen. Soms maar één of twee dagen in de week en de rest werkte ik bij Ko Brasser en daar kreeg ik dan 15 kilo tarwe op een dag. Ja, geld had je toen niet. Dus dat was wel mooi.  En toen verjaarde zijn vrouw en toen mocht ik ook komen. Dat was een leuk feestje en de zuster van Ko zijn vrouw was wel een aardig meisje toen. En die heb ik naar huis gebracht want die woonde in Oostkapelle in dat bos. Ja, ’t was daar stikdonker, je had in de oorlog geen licht, geen lamp. Ik ben daar verdwaald. Ja, op die oude rotfiets. Toen ben ik over de Polderse dijk gekomen en daar stonden de Duitsers en die hebben me opgepikt. Want je mocht na twaalven niet meer op straat, he, en ’t was al één uur. En toen hebben ze me naar het dijkhuis gebracht want die lui die zaten in het dijkhuis. En ik maar lamenteren maar ja, het hielp niet. Ik bleef zitten tot de andere dag. Want ze wouden de commandant niet wakker maken.  Ja en paniek. Want Boete is opgepakt door die Duitsers. Toen is Ko Brasser gekomen, die kende die Duitsers goed. Die kwamen bij hem om eieren enzo. En die Ko die heeft het dan voor elkaar gekregen dat ik weer vrijgelaten ben. Waar ze me neer gezet hebben? Dat weet ik niet meer. Ik was ook in paniek natuurlijk. Er zaten daar toen alleen maar Duitsers. Het zal eind ’42, begin ’43 zijn geweest want in 1943 ben ik naar Duitsland gestuurd. Waar die stelling precies was heb ik niet gezien. ’t Was in het donker, stikdonker. Daar verder mocht je niet meer komen en toen ben ik naar Duitsland weggevoerd.

Ik weet niet eens dat dat huis in puin gegooid is. Want ik kwam thuis, het was 28 juli, dus dan was de oorlog… dan waren ze al volop bezig om dat dijkgat dicht te maken. Ja provisorisch dan natuurlijk want er was natuurlijk niks. Dan hebben ze dus een zandzuiger gevonden in België, de ‘rupel, geloof ik dat dat ding heette en dan hadden ze weer eens een bak, en dan weer een modderbak gevonden, opgeknapt. 

Ja, Kalis van Boskalis heb ik heel goed gekend. Die kwam al langer in Veere. Die kwam hier jagen en al die dingen meer en die was goed met mijn grootvader, die werkte voor hem. Want in Veere, daar kwamen ze ieder jaar de haven en het kanaal uitbaggeren en dan was hij er ook altijd bij. Mijn opa  moest altijd met die bakken mee, kijken of ze die slik wel goed weggooiden, dat ze dat niet op verboden plaatsen deden. En die kreeg van Kalis kolen en met Bliek gingen ze dan jagen. En mijn moeder, ja dan hadden ze laarzen aan, geen rubber maar leren laarzen en dan had je zogenaamde laarzenkousen. Dat waren van die dikke wollen kousen voor in die laarzen. En die moest mijn moeder voor Kalis breien. Zulke dingen allemaal. 

Ik heb zoveel prominenten gekend. Ja, Lensvelt zelf ook wel. Niet zo goed omdat hij natuurlijk in de jaren ’30 alleen maar ’s zomers kwam en altijd op dat dijkhuis zat. Maar hij kwam wel eens in Veere natuurlijk. Kijk die schilders in Veere zelf, die kende ik veel beter. Goth woonde op de markt, die zaten we soms te pesten maar dat was zo’n fijne vent, die gaf daar niet aan toe en op den duur zijn we vrienden geworden, zo’n kleine vent met die oude vent. Ik kwam veel bij van Veen thuis, ik speelde met zijn zoon. Bij de Morels ook, Wim was altijd een fijne vriend. Met de zoon van Jan Heyse ging ik altijd zeilen. Met Boed, Frits jr., heb ik nog op school gezeten, die was maar twee jaar ouder dan ik. Sproetenkop had-ie. Maar hij zat alleen ’s zomers bij ons op school. ’s Winters was hij natuurlijk in Amsterdam op school. Ik herinner me Puck van dat ze een jaar of twintig was. 

Coijnsplaat, 25 november 2015

Geen opmerkingen:

Een reactie posten