zaterdag 22 april 2017

DE OPENING, 8 APRIL, INTRODUCTIE ARD HESSELINK




Dames en heren, 
Mijn naam is Ard Hesselink en ik heb de eer gehad de tentoonstelling HET DIJKHUIS: EEN VERDWENEN STUKJE VEERE voor u te mogen samenstellen.
Over de tentoonstelling zelf zal ik kort zijn. Wat u hier en in het Stadhuis zult zien is het resultaat van twee jaar research en het is nu aan u, het publiek, om er uw oordeel over te vellen. 
Wat ik hier wel wil overbrengen is het plezier en de voldoening die de zoektocht mij gebracht heeft. Het was een avontuurlijke reis door het verleden, gepaard gaande met verrassende vondsten, toevallige ontmoetingen en een enorme verruiming van mijn kennis op velerlei gebied. Maar het belangrijkste element was de overweldigende respons die het initiatief ontmoette. Vrijwel overal werd ik met open armen ontvangen. Velen benaderden mij zelf na de verschillende oproepen in de regionale media. Wie het colofon achter in de brochure bekijkt ziet hoe groot die respons was. 
En waarom? Waarom spreekt dat Dijkhuis nog zo aan, meer dan 70 jaar na zijn verwoesting? De generatie die het huis nog bewust heeft meegemaakt is al vrijwel uitgestorven. Alleen sommigen die het uit hun jeugd kennen zijn nog onder ons. Ik denk dat het huis voor de Walcherse bevolking een symbool is geworden. Een symbool van het vooroorlogse, het oude Walcheren, dat niet voor niets de Tuin van Zeeland werd genoemd. Dat oude Walcheren dat voorgoed verdwenen is na de Tweede Wereldoorlog. Het Dijkhuis, met zijn markante vorm op die in het oog springende plek, met zijn uitzicht op het iconische silhouet van de stad Veere als symbool van zoveel meer dat Walcheren vanouds zo bijzonder maakte. Misschien zijn sommigen het zich niet bewust maar ik denk dat ook de huidige generaties Walcherenaren daarom zo veelvuldig spontaan hun medewerking gaven aan mijn zoektocht. 
Dit is natuurlijk het moment om voor al die medewerking te bedanken. Dat doe ik bij deze maar de al eerder genoemde omvang van de groep tipgevers, raadgevers, subsidiegevers, bruikleengevers en andere gevers maakt het mij onmogelijk iedereen hier bij naam te noemen. Weest u er echter van overtuigd dat achter iedere naam in het colofon een verhaal schuil gaat waarvoor ik alleen maar heel dankbaar kan zijn. En als ik iemand vergeten ben te benoemen, vergeeft u het mij alstublieft. 
Toch maak ik hier een tweetal uitzonderingen. Te midden van maar ook symbolisch voor bestuur, medewerkers en vrijwilligers van Museum Veere wil ik vooral Ruud Backx bedanken, bestuurslid tentoonstellingsbeleid, die vanaf ons eerste contact vertrouwen toonde in het project, een klankbord was, veel werk verzette in het Veerse en mij bij te wilde plannen op het rechte pad hield. Bedankt Ruud, het museum zal je nog gaan missen!
Voor mijn andere bedankje wil ik u een verhaal vertellen. Een verhaal dat een begin kende in de zomer van 1918, binnenkort dus 99 jaar geleden. 
Op een mooie dag liepen er die zomer twee zusjes langs de Polredijk. Ze kwamen van de boerderij van hun ouders, Landzicht genaamd, aan de Kraaiennestweg en waren op weg naar Veere. Ter hoogte van de Lage Weide, bij de scherpe bocht in de Dijk waar het Dijkhuis stond, stond een vreemde mevrouw aan het tuinhek. De meisjes Joosse (want zo heetten ze) wisten misschien wel dat het huis kort geleden aan een Hollands echtpaar was verkocht maar ontmoet hadden ze haar waarschijnlijk nog niet. 
De mevrouw groette vriendelijk en ze raakten even aan de praat. De mevrouw vroeg: “Hebben jullie niet een klein zusje dat misschien met mijn dochtertje wil spelen?” Hoe het gesprek precies verder ging is onbekend maar het gevolg was de ontmoeting tussen de nog geen twee jaar oude Puck Lensvelt en de twee jaar oudere Jane Joosse. Een ontmoeting met verstrekkende gevolgen. Op de foto hier op het scherm zien we de twee meisjes spelend op het strandje bij het Dijkhuis tijdens misschien wel die eerste, gedenkwaardige ontmoeting.
Het bleef daar niet bij, de meisjes werden daadwerkelijk vriendinnen, die wat later altijd samen naar school in Veere liepen. Daar scheidden zich dan hun wegen want Jane ging naar de Christelijke en Puck naar de Openbare School. Maar ook voor de terugweg wachtten ze op elkaar. Het was zowiezo een bijzondere vriendschap tussen deze twee meisjes met zo totaal andere achtergrond. Van jongsaf aan stapten ze bij elkaar een waarschijnlijk heel andere wereld binnen. Maar dat stopte de vriendschap niet. Integendeel, ze bleef bestaan. Ook toen Puck Lensvelt in 1934 naar Amsterdam verhuisde. 

Ook toen Jane Joosse Jane de Nood werd en Puck Lensvelt veranderde in Klaertje Hesselink. Jane kreeg zes kinderen en bleef altijd boerin in Veere. Niet meer in de Oostwatering natuurlijk maar aan de Zanddijkseweg. Ook Puck kreeg zes kinderen en woonde het grootste deel van haar leven in Utrecht. Maar ’s zomers trok haar hele gezin bijna altijd naar Walcheren en een bezoek aan de boerderij bij Zanddijk vormde altijd een hoogtepunt. 
Ook tussen sommigen van hun kinderen groeiden vriendschapsbanden, hoewel die van Jane meest wat ouder waren. Maar het contact ging nooit verloren, ook niet na het overlijden van de twee vriendinnen.
En zo kom ik op mijn tweede bedankje. Anneke Gideonse-de Nood woont met haar man Cees Gideonse nog steeds (of liever gezegd weer) op de boerderij aan de Zanddijkseweg. Ik kan rustig zeggen dat zonder hun gastvrijheid en hulp dit project nooit van de grond was gekomen. Lang voor het zeker was dat er überhaupt een tentoonstelling zou komen boden ze me onderdak aan als ik voor het onderzoek op Walcheren moest zijn. Maar ze legden ook belangrijke contacten voor me met andere telgen uit oude Veerse geslachten, boden een luisterend oor voor al mijn belevenissen en werden zo deelgenoot in dit project.  Heel erg bedankt Anneke en Cees!
En dus, zonder die ontmoeting van 99 jaar geleden zou er vandaag geen tentoonstelling geweest zijn om te openen. Maar die is er dus wel en daarom geef ik hierbij graag het woord aan dr. Aad de Klerk voor zijn officieel openingswoord onder de titel “Oude kaarten als de ogen van de geschiedenis”.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten